Een oppervlakteformule hoort bij een vorm en specifieke maten. Lengte maal breedte werkt direct voor een rechthoek; een driehoek vereist halveren en een cirkel gebruikt de straal. Bepaal eerst de figuur voordat je getallen invult.
Vlakke figuren en ruimtelijke lichamen
Een vlakke figuur heeft twee dimensies. Een lichaam strekt zich ook in een derde dimensie uit en kan inhoud hebben. De cirkelvormige basisoppervlakte is niet de hele oppervlakte of inhoud van een cilinder.
Zes formules en hun maten
De volgorde is vierkant, rechthoek, driehoek, trapezium, ruit en cirkel. a is de zijde; b en h zijn basis en loodrechte hoogte; B en b evenwijdige basiszijden; D en d diagonalen; r de straal.
Een vierkant is ook een rechthoek en ruit, zodat verschillende formules kunnen passen. Een hypotenusa bestaat alleen in een rechthoekige driehoek en is geen algemene naam voor de langste driehoekszijde.
Voorbeeld: muur met driehoekige bovenkant
Het rechthoekige deel is 8 m breed en 5 m hoog. Daarboven ligt een driehoek met basis 8 m en eigen hoogte 3 m. De binnenvlakken overlappen niet, dus bereken ze afzonderlijk en tel op.
Samen is dat 52 vierkante meter. De 3 m betreft alleen de driehoek. Bij een gegeven totale muurhoogte moet je eerst de 5 m van het rechthoekige deel aftrekken.
Gaten en uitsparingen aftrekken
Een raam of opening trek je af van het omringende vlak. Bereken de oppervlakte van de uitsparing en trek die van de buitenoppervlakte af. Een randlengte kan niet rechtstreeks van een oppervlakte af.
Zet alle lengtes om naar dezelfde eenheid en bewaar π tot de laatste afronding. Zie ook oppervlakte en omtrek en de driehoekshoogte.
