Oppervlakte meet een vlak; omtrek meet de lengte van de buitenrand. Voor vloerbedekking heb je oppervlakte nodig, voor een randlijst omtrek. Dezelfde zijden kunnen in beide berekeningen voorkomen, maar de grootheden verschillen.
Waarom vierkante eenheden?
Lengte telt eenheden langs een lijn. Oppervlakte telt eenheidsvierkanten die een gebied zonder gaten of overlapping bedekken. Daarom kan omtrek in meters staan en oppervlakte in vierkante meters.
Een meter bevat 100 centimeter. Een vierkant van één meter breed bevat 100 rijen van elk 100 vierkante centimeter. Bij oppervlakte wordt de omrekenfactor voor lengtes dus gekwadrateerd.
Uitgewerkt: vierkant naast rechthoek
Voor een vierkant met zijde 6 m vermenigvuldig je 6 met 6 en tel je vier zijden voor de omtrek. Bij een rechthoek van 4 m bij 16 m vermenigvuldig je de zijden voor de oppervlakte en verdubbel je hun som voor de omtrek.
Het vierkant heeft oppervlakte 36 vierkante meter en omtrek 24 m. De rechthoek heeft oppervlakte 64 vierkante meter en omtrek 40 m. Een oppervlakte kun je niet rechtstreeks naar omtrek omrekenen.
Dezelfde omtrek sluit niet dezelfde oppervlakte in
Een vierkant van 6 bij 6 m en een rechthoek van 2 bij 10 m hebben beide omtrek 24 m. Toch zijn hun oppervlakten 36 en 20 vierkante meter. De vorm van de rand maakt verschil.
Samengestelde en gebogen randen
Tel elke buitenzijde van een veelhoek eenmaal. Een gedeelde zijde van samengevoegde delen ligt binnenin en telt niet mee voor de buitenomtrek. De gebogen rand van een cirkel vraagt om de cirkelomtrekformule.
Een soepel meetlint benadert een onregelmatige rand, maar geeft geen oppervlakte. Verdeel het vlak daarvoor in meetbare stukken, zoals bij samengestelde vlakke figuren.
