Een algebraïsche uitdrukking bestaat uit getallen, variabelen en bewerkingen. Een letter kan de breedte van een rechthoek voorstellen. Met een concrete breedte kun je de waarde uitrekenen. Vereenvoudigen geeft een andere vorm met dezelfde waarde voor ieder toegestaan getal.
Zet een negatieve invulwaarde tussen haakjes
In het voorbeeld is x gelijk aan −2. Door de haakjes hoort het minteken bij het grondtal van de macht. De kwadratische term levert 12, de lineaire term 4 en de constante 1.
Herken coëfficiënten en graden
Een eenterm is een product van een coëfficiënt en variabelen met niet-negatieve gehele exponenten. De graad van een eenterm ongelijk aan nul is de som van die exponenten. Een veelterm is een eindige som van eentermen en kan ook maar één term hebben. Na samenvoegen bepaalt de hoogste termgraad de graad van een veelterm ongelijk aan nul. Een variabele onder een wortel of in een noemer kan een algebraïsche uitdrukking opleveren die geen veelterm is.
Voeg gelijksoortige termen samen en werk haakjes uit
Gelijksoortige termen hebben dezelfde variabelen met dezelfde exponenten. Tel hun coëfficiënten op of trek ze af. Voor een product van eentermen vermenigvuldig je de coëfficiënten en tel je de exponenten van gelijke grondtallen op. Vermenigvuldig een factor buiten haakjes met iedere term van de som.
Een geschrapte factor houdt zijn domeinvoorwaarde
Je mag een gemeenschappelijke factor schrappen als die ongelijk aan nul is. Ontbind een som in de teller daarom eerst in factoren. De oorspronkelijke noemer sluit x gelijk aan nul uit. Die beperking blijft gelden na het schrappen.
