De eenheidscirkel heeft het middelpunt in de oorsprong en straal 1. Hoeken beginnen bij (1, 0). Positieve hoeken gaan tegen de klok in, negatieve met de klok mee. Het eindpunt levert sinus en cosinus.
Wat meet een radiaal?
De hoek in radialen is booglengte s gedeeld door straal r. Een volledige draai is 360° of tweemaal π radialen. Bij straal 1 hebben de booglengte en de hoek in radialen dezelfde getalswaarde.
Van graden naar radialen vermenigvuldig je met π en deel je door 180; terug gebruik je de omgekeerde factor. Een graad bevat 60 boogminuten en een boogminuut 60 boogseconden, geen tijdseenheden.
Coördinaten geven de functiewaarden
De horizontale coördinaat van P is de cosinus, de verticale de sinus. Hun kwadraten tellen op tot één. Tangens is verticaal gedeeld door horizontaal en bestaat niet als de horizontale coördinaat nul is.
Tekens in de vier kwadranten
In het eerste zijn beide coördinaten positief. In het tweede is cosinus negatief en sinus positief; in het derde beide negatief. In het vierde is cosinus positief en sinus negatief. Punten op de assen liggen niet binnen een kwadrant.
Voorbeeld: 150° plaatsen
Reken om naar radialen en gebruik de referentiehoek 30°. Het punt ligt in het tweede kwadrant: horizontaal negatief, verticaal positief.
Negatieve hoeken en extra draaien
Een volledige draai verandert de afgelegde hoek, maar niet het eindpunt. Zo eindigen −210° en 150° op dezelfde plaats.
Een volledige draai verkennen
Verplaats de schuif of gebruik de pijltjestoetsen. Het punt en de coördinaten veranderen samen; de tekstuitvoer geeft dezelfde numerieke informatie.
Zie ook de vergelijking van een cirkel.
