Een getaluitdrukking combineert getallen en rekenbewerkingen. De rekenvolgorde bepaalt welk deel je het eerst uitrekent. Bij geneste haakjes begin je met de binnenste groep. Gebruik binnen iedere groep dezelfde rangorde.
Vermenigvuldigen en delen staan op dezelfde rang
Reken eerst de groepen uit, dan machten en wortels. Vermenigvuldig en deel daarna van links naar rechts. Tel ten slotte op en trek af, ook van links naar rechts. Een breukstreep of wortelstreep groepeert alles wat eronder of erboven hoort.
In de eerste regel komt delen door 6 vóór vermenigvuldigen met 2. In de tweede regel maken de haakjes van het product van 6 en 2 de volledige deler. De uitkomsten zijn 8 en 2.
Werk van de binnenste haakjes naar buiten
Tel eerst 2 en 2 op. Deel binnen de vierkante haakjes 20 door 4 en trek 4 af. De groep heeft waarde 1. Het kwadraat van 10 is 100, zodat het product 100 is.
Hoort het minteken bij het grondtal?
Zonder haakjes geldt een minteken vóór een macht voor het resultaat van de machtsverheffing. Met haakjes is de negatieve waarde zelf het grondtal. Het kwadraat is dan positief.
